06 – mag ik a.u.b. sterven?

Geplaatst door Dineke van Kooten op 10 maart 2012 in 02 Ziek zijn

Einde

Ziek zijn was voor mij nu een feit geworden, beterschap was uitgesloten. Voor dit rouwproces was – behalve dat ene moment met die visitekaartjes – geen aandacht. Ik moest daar zelf mee klaar zien te komen, maar ik kon dat niet. De wetenschap nooit meer gezond te worden en nooit meer “gewoon” te kunnen zijn, deed bij mij (weer) het diepe verlangen naar boven komen om een einde aan mijn leven te maken. Het was als een soort ondergrondse veenbrand, het sudderde na de duidelijke mededeling in het ziekenhuis dat ik het hiermee zou moeten doen. Soms kwam het in alle hevigheid in golven op mij af. Jarenlang bleef het voor de buitenwereld min of meer onzichtbaar. Voor mij was de wanhoop de ene keer sluimerend, de andere keer in volle hevigheid aanwezig. Ik verloor mijn dromen. Ik verloor nu definitief alles wat ik was geweest en alles wat ik had opgebouwd… Veel van mijn identiteiten – zoals die van werknemer, gemeentelid – had ik op moeten geven of bleven leeg De identiteiten van moeder-zijn en vrouw-zijn hadden nauwelijks inhoud kunnen krijgen. Het enige wat leek over te blijven was de identiteit van zieke/gehandicapte. Dat wil geen mens. Dat voelt zo derderangs. Ik kende alle vooroorde­len en wilde er aan geen voldoen.

Dat verlangen naar het einde kenden de meeste patiënten in het revalidatiecentrum. Allemaal werden we geconfronteerd met een onherstelbare aandoening waarmee we moesten zien te leven. We praatten daar ook met elkaar over. We huilden met elkaar. Althans, ik was vooral de praatpaal van de anderen en had een geduldig oor. Ik lag de eerste twee weken voornamelijk op bed en op alle mogelijke tijdstippen van de dag rolde er een rolstoel in mijn kamer naar binnen. In die tijd hoorden we van twee mensen van andere afdelingen, die daadwerkelijk een einde aan hun leven hadden gemaakt. Een mengeling van vrees en verlangen ging dan als een wind door de afdeling heen.

Dat verlangen bekeek ik klinisch. Ik onderzocht het met mijn verstand. Ik hield er mijn emotie en mijn zintuigen buiten. Ik maakte minder plannen en had minder de neiging om een echt einde aan mijn leven te maken, dan toen ik in mijn rode golf naar huis reed. Het was toen meer een gevoel van zoveel pijn en van doodmoe zijn, dat ik intens verlangde naar rust. Terwijl het nu meer een totaal afschrijven van mijzelf en van mijn leven was. Het was dus in wezen heftiger. Ik was er daardoor misschien wel banger voor en hield het daardoor waarschijnlijk bewuster buiten mijzelf.

Er was zo’n leegte in mij, van binnen. Verstandelijk vond ik dat iedere partij er mee gediend was als ik er niet meer zou zijn. Mijn familie en vrienden zouden met elkaar kunnen rouwen; Mark en Sanne zouden een foto van mij neer kunnen zetten; en boven mijn rouwadvertentie zetten: “Ze heeft hard gevochten, maar het uiteindelijk niet gehaald.” Mark kon een nieuwe relatie beginnen en Sanne zou dan een moeder hebben die alles met haar kon doen.

Vele jaren later, toen Sanne voor het eerst met mijn verlangen van toen werd geconfron­teerd zei ze: “Mam, ik heb liever mijn eigen moeder, die me alleen maar kan knuffelen en voorlezen, dan dat ik het met een andere moeder had moeten doen. Bovendien”, zei ze, “die andere moeders heb ik heus wel gehad. Maar jij bent de enige die echt alleen van mij is”. Maar dat besef je in zo’n toestand, op zo’n moment niet, dan lijkt zo’n uitspraak een dooddoener, een gewenst antwoord. Het is zo’n donker, zwart gat. Nu bewaar ik deze woorden van Sanne als een soort eerbetoon in mijn hart en denk ik: het is goed dat ik ben blijven leven, ondanks alle misère.

Jaloers

Ik was jaloers op mensen die God thuishaalde en die “toestemming” kregen om dood te gaan. Zij mochten wel, ik nog niet… het niet mogen sterven, het nog niet aan de beurt zijn, voelde zo oneerlijk. Het voelde alsof ik niet welkom in de hemel was. Ook aan die criteria voldeed ik niet. Soms voelde het of God met mij in Zijn maag zat en nog moest bedenken wat Hij eigenlijk met mij moest doen. Dit gevoel was oud zeer. Ik wist dat leraren op de middelbare school zo over mij dachten. Ze konden geen hoogte van mij krijgen en ze wisten niet hoe ze met mij om moesten gaan. Daardoor hing ik er – voor mijn gevoel – bij en werd ik getolereerd omdat de leraren niets anders konden verzinnen.

In het revalidatiecentrum was ik soms – gek genoeg – ook jaloers. Ik was jaloers op de CVA-patiënt, die door te vechten leerde lopen of die het met zijn ijzeren wil lukte met zijn eigen vork het eten naar zijn mond te brengen. Ik was jaloers op de dwarslaesiepatiënt die met volharding verder kwam dan de therapeuten ooit gedacht hadden. Dat kende ik: tanden op elkaar en doorgaan. Maar ik moest iets anders leren. Ik mocht niet meer vechten, omdat ik anders mijn lichaam nog verder kapot maakte. Mij werd vooral geadviseerd me bij de zaak neer te leggen, me over te geven. Ik werd uitgenodigd om liefdevol en met zachtheid met mijn lichaam om te gaan. Het waren zulke totaal verschillende werelden. Ik was meer het racewagen type, maar ik moest me vermaken op een bed en in een rolstoel. Ik was meer de doordouwer en moest mezelf nu met alle rust en bedachtzaamheid gedragen. Wat mijn moeder niet was gelukt me bij te brengen, werd me nu hardhandig door de omstandighe­den geleerd: rustig en netjes leven. Zou ik het ooit leren?

© Dineke van Kooten - Kopiëren toegestaan bij vermelding van de bron

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

 Copyright © 2018 Dineke van Kooten (www.dinekevankooten.nl) Dit is een Heinosoft website