07 – geloof? / woestijn!

Geplaatst door Dineke van Kooten op 24 maart 2012 in 02 Ziek zijn

Mijn geloof

Opvallend was dat ik, zowel in het ziekenhuis als in het revalidatiecentrum, gesterkt werd door mijn geloof in God, de Schepper van hemel en aarde. Het was dubbel. Mijn dagboek­jes doorlezend waren er dagelijkse, onverwachte, bemoedigende lichtpuntjes vanuit de Psalmen. Bijna elke dag kom ik in mijn schriftjes zomaar een regel of een vers tegen dat mij deed opzien. Die momenten leken even een andere wereld, een andere werkelijkheid. Misschien hield ik me er daarom – ondanks mijn gevoelens en gedachten – emotioneel zo aan vast. Dat was een eeuwenoude werkelijkheid. Een tegenstelling die op wonderlijke wijze naast elkaar kon bestaan. Veel later noemde een predikant dit een “nochtans”-ervaring. Zoals het staat in Habakuk 3[1] staat:

Ik hoorde dit alles en ik beefde vanbinnen,

ik vernam het en mijn lippen trilden.

Mijn botten werden aangevreten,

ik stond te trillen op mijn benen,

wachtend op de dag van het onheil,

de dag dat u optrekt tegen het volk dat ons aanviel.

Al zal de vijgenboom niet bloeien,

al zal de wijnstok niets voortbrengen,

al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,

al zal er geen koren op de akkers staan,

al zal er geen schaap meer in de kooien zijn

en geen rund meer binnen de omheining –

toch zal ik juichen voor de HEER,

jubelen voor de God die mij redt.

God, de HEER, is mijn kracht,

hij maakt mijn voeten snel als hinden,

hij laat mij over mijn bergen gaan.

Wolken

In het revalidatiecentrum had ik mijn bed tegen en langs het raam laten zetten. Ik had een schitterend zicht op de wolken en de bomen. In deze herfsttijd trok dat keer op keer mijn aandacht. Heel wat uurtjes heb ik in verwondering naar buiten gekeken, veelal met de koptelefoon met de klavierconcerten van Johann Sebastian Bach op mijn oren. Elke keer weer kwam ik onder de indruk van Gods macht en majesteit in de natuur:

O, Heer mijn God, wanneer ik in verwondering
de wereld zie die U hebt voortgebracht.
Het sterrenlicht, het rollen van donder,
heel dit heelal, dat vol is van uw kracht.

Dan zingt mijn ziel
tot U, o Heer mijn God:
hoe groot zijt Gij,
hoe groot zijt Gij!

Wanneer ik in het woud door de bomen dwaal,
en luister naar het vogelgezang,hun zoet verhaal,

Wanneer ik van de heuvelrug naar beneden kijk,
en voel hoe de wind door mijn haren strijkt.

Als ik bedenk, hoe Jezus zonder klagen
tot in de dood gegaan is als een Lam,
sta ik verbaasd, dat Hij mijn schuld wou dragen
en aan het kruis mijn zonde op zich nam.

Als Christus komt met majesteit en luister,
brengt Hij mij thuis, hoe heerlijk zal dat zijn.
Dan zal ik vol aanbidding voor Hem buigen
en zingt mijn ziel: o Heer, hoe groot zijt Gij!

 

En ook werd in mijn bed – kijkend uit het raam – Psalm 19:1 voor mij een zichtbaar refrein. Ik ervoer de waarheid:

“De hemel roemt den Heer,

het firmament geeft eer

Hem, die ‘t heelal volbracht.

De dag spreekt tot de dag

van wat zijn hand vermag,

de nacht meldt het de nacht.

Er is geen taal, geen woord,

toch wordt alom gehoord

een wijd verbreide mare.

Geen stem gaat van hen uit,

maar overal verluidt

hetgeen zij openbaren.

 

Deze uitnodigingen om op te zien van mijn hopeloosheid, mijn uitzichtloosheid, mijn leegheid deden mij stilstaan. Dit samen met de ontdekking dat de verloren zoon op dat moment opstond:

Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan”

Gregorius van Nyssa gaf deze ervaring in de vierde eeuw al woorden:

Stel je een loodrechte, steile rots voor met een uitstekende rand aan de top. Stel je dan voor hoe iemand zich voelt als hij zijn voet op de rand van de afgrond zet en beneden zich alleen maar een enorme diepte ziet. Naar mijn oordeel is dit wat de ziel ervaart, wanneer zij verder gaat dan materiële zaken in haar zoeken naar datgene wat geen dimensie heeft en sinds eeuwigheid bestaat. Want dan is er geen enkel houvast meer, noch tijd, noch plaats, geen maat voor iets anders. Met onze geest kunnen wij er niet bij.

Woestijn

Ik wist niet waar heen te gaan, maar nu – na jaren – zie ik duidelijk dat God dat wel weet. Hij heeft mij stap voor stap geleid. Ik wist niet dat ik Egypte had verlaten en dat ik in de woestijn was aangekomen. Nu zie ik dat de troostrijke woorden in de Psalmen mijn manna waren op de lange weg. Ik voelde mij gedragen, de scherpe kanten raakten eraf. God drupte Zijn liefdevolle woorden in mijn hart.

Maar de Israëlieten zuchtten ook regelmatig in de woestijn:

“Daar in de woestijn begon het volk zich opnieuw te beklagen. ‘Had de HEER ons maar laten sterven in Egypte,’ zeiden ze tegen Mozes en Aäron. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.’” [2] Toen kregen ze manna.

Ik herkende me wel in deze verlangens, hoewel het bij mij meestal bleef bij soortgelijke verzuchtingen. Het kwam niet tot een echte opstand van mij tegen God. Ik vond “onze” relatie te belangrijk om het door mijn niet-weten te laten verstoren. Ik was zo bang God kwijt te raken, alsof God Zich door zoiets zou laten wegsturen. Ik was bang dat Hij Zich van mij af zou keren als ik het ook daadwerkelijk uit zou spreken. Maar soms had ik wel zulke stiekeme instemmingen wanneer ik dat zo in de Bijbel las. Een vriend van ons verwoordde het een keer zo: “Volgens mij is de administratie van God door de war geraakt, boven. Jij krijgt wel erg veel op je bordje.” Daar kon ik mee instemmen. In tegenstelling tot de goedbedoelde woorden die een aanstaande predikant een paar jaar later tegen me zei: “Emma, je moet maar zo denken: God meet eerst de schouders, voordat Hij de last er op legt.” Zo’n opmerking deed me bijna vloeken en ik dacht: “Zullen we ruilen van schouders?”

Ik begreep toen nog niet dat er een verschil is tussen mijn hart bij God uitstorten in de wetenschap dat Hij dat aankan en daar ook voor openstaat. En aan de andere kant mijn eigen angst om gezien te worden als een zeurpiet. Dat laatste had ik als norm mee genomen.


[1]        Habakuk : 16 t/m 19

[2]        Exodus 16: 2 en 3, maar ook in: Exodus 17: 3 t/m 5, in Numeri 14: 1 t/m 4 en in Numeri 21: 4 en 5 kwam het steeds terug.

© Dineke van Kooten - Kopiëren toegestaan bij vermelding van de bron

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

 Copyright © 2018 Dineke van Kooten (www.dinekevankooten.nl) Dit is een Heinosoft website